Rasstandaard

RvB-Standaard N°  / april 2008 / GB
LANCASHIRE HEELER   (CONCEPT)
LAND VAN OORSPRONG : Groot Brittannië.
LAND VAN ONTWIKKELING : 
DATUM VAN PUBLICATIE VAN DE ORIGINELE STANDAARD : april 2008.
GEBRUIK : Werkt bij het vee maar heeft terrier-karaktertrekken wanneer hij op konijnen jaagt en ratten verdelgt.
F.C.I. INDELING: Groep 1    Herdershonden en Veedrijvers.
                           Sectie 1      Herdershonden.
                           Zonder werkproef.

KORTE  HISTORISCHE SAMENVATTING:
De Lancashire Heeler is al decennia lang bekend in Lancashire, de streek iets ten noorden van Liverpool en Manchester. In oude documenten komen we ook nog de naam Ormskirk Heeler (naar een plaats in Lancashire) tegen. Waarschijnlijk is dat een dergelijk type hond al in de 19e eeuw werkte met, vooral, koeien. Het is aannemelijk dat de Welsh Corgi Cardigan heeft bijgedragen aan het uiterlijk van de Lancashire Heeler, maar ook de Manchester terrier wordt in dit verband genoemd.
De Lancashire Heeler werd gebruikt om koeien te drijven, ook bijvoorbeeld van de havens naar de slachterijen. Daaraan dankt de Lancashire Heeler zijn bijnaam “Butcher’s dog”. De manier van drijven bestond eruit dat de Heeler naar de hakken van de koeien beet en dan wegdook. In de volksmond werd hij dan ook een “nip ’n duck dog” genoemd.
Met de opkomst van de treintransporten verdween de Lancashire Heeler naar de boerderijen, waar hij zich nuttig maakte met het vangen en doden van klein ongedierte zoals ratten en muizen.
In de jaren ’60 van de vorige eeuw begonnen enkele mensen zich voor het ras te interesseren, en dat leidde ertoe dat het ras in 1981 door de Kennel Club als “Pedigree Dog” werd geaccepteerd. In 1984 werden de stamboeken gesloten en konden er geen ongeregistreerde honden meer in de populatie worden opgenomen.
Hoewel het ras nog steeds relatief onbekend is buiten Lancashire, wonen ook in andere streken van Engeland belangrijke aantallen Lancashire Heelers. Buiten Engeland zijn er intussen belangrijke populaties in Scandinavië.


ALGEMEEN VOORKOMEN :
Een kleine, krachtige, stevig gebouwde werkhond die alert en energiek is.


BELANGRIJKE VERHOUDINGEN :
Lengte van de achterhoofdsknobbel tot de stop gelijk aan de lengte van stop tot de neuspunt.
De lichaamslengte (gemeten van schoft tot staartaanzet) bedraagt ongeveer 2,5 cm (1 inch) meer dan de schofthoogte.


GEDRAG/TEMPERAMENT :
Moedig, vrolijk, aanhankelijk aan zijn eigenaar.


HOOFD :
in verhouding tot het lichaam. De lijnen van schedel en voorsnuit lopen parallel.
VOORHOOFDGEDEELTE :
Schedel : schedel vlak en breed tussen de oren, smaller wordend naar de ogen die wijd uit elkaar staan.
Stop : Matige stop.
VOORSNUITGEDEELTE :
Neus : Zwart bij zwarte honden met roodbruine aftekeningen, bruin bij leverkleurige honden met roodbruine aftekeningen.
Voorsnuit : versmalt verder tot de neus.
Lippen : aangesloten.
Kaken/gebit : Krachtige kaken met een perfect, regelmatig en volledig scharend gebit, d.w.z. dat de boventanden dicht over de ondertanden sluiten en recht in de kaak geplaatst zijn. Onder- of bovenvoorbijten moet ontmoedigd worden.
Ogen : Amandelvormig, middelgroot, donker van kleur behalve bij de leverkleur waar de ogen lichter mogen zijn, in overeenstemming met de vachtkleur.
Oren : Tiporen die een alerte “lift” tonen, of staande oren. Hangende oren zonder “lift” zijn ongewenst. 


NEK :
Matig lang, goed in de schouders overgaand.


LICHAAM :
Rug : Stevige, vlakke bovenbelijning die nooit mag invallen bij de schoft of mag hellen bij het kruis.
Lendenen : Kort.
Borstkas : Ribben goed gewelfd, ver naar achteren doorlopend.


STAART :
Hoog aangezet, ongecoupeerd. In een lichte boog over de rug gedragen wanneer de hond alert is. Vormt geen volledige ring.


LEDEMATEN
VOORHAND :
Schouders : Goed geplaatste schouder.
Voorbenen : Ellebogen strak tegen de ribben. Veel bot. De polsen kunnen het mogelijk maken de voeten licht naar buiten te draaien, maar niet zodanig dat daardoor zwakte optreedt of dat zij van invloed zijn op de vrije beweging.
ACHTERHAND: Gespierd.
Kniegewrichten : Goed gehoekt.
Spronggewrichten : Laag geplaatst.
Achterbenen : Moeten van achteren gezien parallel zijn, zowel in gang als in stand. Nooit O-benig of koehakkig.
VOETEN :
Klein, vast en met goede voetzolen.
GANG/BEWEGING :
Flink en kwiek doorlopend. Natuurlijke, vrije beweging.


VACHT 
BEHARING : De fijne ondervacht wordt volledig bedekt door een waterbestendige, korte, dichte, harde, vlakke bovenvacht. De bovenvacht is op de nek iets langer. De ondervacht mag niet door de bovenvacht heen zichtbaar zijn; evenmin mag het aanwezige langere haar in de nek daardoor gaan uitstaan. Lange of sterk golvende vacht zeer ongewenst.
KLEUR : Zwart met roodbruine aftekeningen of leverkleur met roodbruine aftekeningen, met pigment dat overeenstemt met de vachtkleur, met warm roodbruine aftekeningen op de wangen en vaak boven de ogen. Warm roodbruin op de voorsnuit en de voorborst en van de knieën af naar beneden, aan de binnenkant van de achterbenen en onder de staart. Een, naar gelang de vachtkleur, duidelijke zwarte of leverkleurige aftekening (duimafdruk) direct boven de voorvoeten is gewenst. De warmte van het roodbruin kan bij het ouder worden verminderen. Wit in de vacht moet ontmoedigd worden. Een klein wit vlekje op de voorborst is, hoewel toegestaan, ongewenst.


MAAT  :
De ideale schofthoogte is: voor reuen: 30 cm (12 inches); voor teven: 25 cm (10 inches).


FOUTEN :
Iedere afwijking van de voorgaande punten moet als een fout beschouwd worden en de mate waarin de fout voorkomt en van invloed is op de gezondheid en het welzijn van de hond moet met precies dezelfde mate beoordeeld worden. 


N.B. : Reuen moeten twee ogenschijnlijk normale testikels hebben die volledig zijn ingedaald in het scrotum.



 


The original English Standard:


 


The Lancashire Heeler Breed Standard.


A Breed Standard is the guideline which describes the ideal characteristics, temperament and appearance of a breed and ensures that the breed is fit for function. Absolute soundness is essential. Breeders and judges should at all times be careful to avoid obvious conditions or exaggerations which would be detrimental in any way to the health, welfare or soundness of this breed. From time to time certain conditions or exaggerations may be considered to have the potential to affect dogs in some breeds adversely, and judges and breeders are requested to refer to the Kennel Club website for details of any such current issues. If a feature or quality is desirable it should only be present in the right measure.


General Appearance
Small, powerful, sturdily built, alert energetic worker.

Characteristics
Works cattle but has terrier instincts when rabbiting and ratting.

Temperament
Courageous, happy, affectionate to owner.

Head and Skull
In proportion to body. Skull flat and wide between ears, tapering towards eyes which are set wide apart. Moderate stop equidistant between nose and occiput. Tapering continues towards nose. Skull and muzzle to be on parallel planes.

Eyes
Almond-shaped, medium size, dark colour except in liver where they may be lighter to match coat colour.

Ears
Showing alert lift, or erect. Drop ears showing no lift undesirable. Mouth Lips firm. Scissor bite – jaws strong with a perfect, regular and complete scissor bite, i.e. upper teeth closely overlapping lower teeth and set square to the jaws. Under or overshot to be discouraged.

Neck Moderate length, well laid into shoulders.

Forequarters
Well laid shoulder, elbows firm against ribs. Amply boned. Pasterns allow feet to turn slightly outwards, but not enough to cause weakness or affect freedom of movement.

Body
Well sprung ribbing, extending well back with close coupling. Firm, level topline, never dipping at withers or falling at croup. Approximately 2.5 cms (1 in) longer than height at withers. (Measured from withers to set on of tail).

Hindquarters
Muscular, with well turned stifles, hocks well let down. From rear should be parallel, when moving or standing. Never bandy or cowhocked.

Feet
Small, firm and well padded.

Tail
Set on high, left natural. Carried over back in a slight curve when alert, but not forming a complete ring.

Gait/Movement
Smart and brisk. Natural, free movement.

Coat
Fine undercoat is covered throughout by weather resistant, short, thick, hard, flat topcoat. Topcoat slightly longer on neck. Undercoat should not show through topcoat nor allow any longer hair at the mane to stand off. Long or excessively wavy coat hightly undesirable.

Colour
Black and tan or liver and tan with pigment to tone with coat colour, with rich tan spots on cheeks and often above eyes. Rich tan on muzzle and chest and from knees downwards, inside hind legs and under tail. A distinct black or liver mark (thumb mark), according to coat colour, immediately above front feet is desirable. Richness of tan may fade with age. White to be discouraged. A small white spot on forechest, although permissible is undesirable.

Size
Ideal height at shoulder: dogs: 30 cms (12 ins); bitches: 25 cms (10 ins).

Faults
Any departure from the foregoing points should be considered a fault and the seriousness with which the fault should be regarded should be in exact proportion to its degree and its effect upon the health and welfare of the dog.

Note
Male animals should have two apparently normal testicles fully descended into the scrotum

See also the website of the English Lancashire Heeler Club: www.lancashireheelers.org/lancashire_heeler_standard.php